dinsdag 19 november 2019

Recensie 'Veel succes met je PTSS'

Recensie ‘Veel succes met je PTSS’ van Marijke Groot

Door M. Groot 19-11-2019

Vond je het bundeltje ‘Het was niet alleen maar leuk tijdens mijn depressie’ leuk? Dan zal je deze ook moeten lezen/ kopen! ‘Veel succes met je PTSS’ is namelijk bijna hetzelfde opgebouwd.  Gedichten, berichten en anekdotes volgen elkaar op. I.p.v. ‘ggz-extra’s’, wordt de bundel nu afgesloten met columns. Alleen zijn de gedichten van een ander kaliber dan die uit haar eerste bundel. Minder gerijm, toch toegankelijk, open en eerlijk, dat dan weer wél als de vorige keer. Ze zijn ook persoonlijker, wat zat er achter de depressie? Best wat. Het ene moment word je ontroerd door een gedicht, maar een zwaar gedicht kan ook best grappig eindigen. Een tweet vol met heftige emoties, een tweet waar je misschien iets te hard om moet lachen. Wat voor gesprekken voeren kliniekgenoten met elkaar? Het pastelgroene boekje laat je alle kanten opgaan en zal je ondanks dat je denkt dat je de roze kent, toch weer verbazen, emotioneren en aan het lachen krijgen.

Vond je het bundeltje ‘Het was niet alleen maar leuk tijdens mijn depressie’ maar niets? Dan raad ik je aan de bundel ‘Veel succes met je PTSS’ aan te schaffen. Waar het roze boekje nog wat oppervlakkig bleef rondom het thema ‘depressie’ en de schrijfster veel aan eindrijm deed bij haar gedichten, zie je nu dat ze gegroeid is op diverse gebieden.
Thema’s als ouderverstoting, een onderzoek van Veilig Thuis, een gedwongen opname, vermist zijn…: ze worden niet geschuwd. De schrijfster vertelt wat dit met haar heeft gedaan. Hoewel er toch nog veel vragen overblijven: hoe heeft het zover kunnen komen dat iemand zó onderuit is gegaan? Waarom raakte ze vermist? Ze kiest er bewust voor om niet alles te expliciet te vertellen en weegt haar woorden af, hoewel de vertellingen als impulsief kunnen overkomen. Zo blijft er ruimte voor eigen gedachten en gevoelens.

Zo cynisch en sarcastisch als ze in haar eerste bundel was, is ze niet meer. De ernst van haar situatie wordt duidelijker. Maar dat betekent niet dat er geen (zwarte) humor in te vinden. Of je nu of wilt of niet: je zal af en toe moeten (glim-)lachen om de iets te grove opmerking, de íets te ver gaande gedachte. 

De bundel laat je achter met antwoorden, met vraagtekens, met verbazing, met zwaarte, met een lach.

‘Veel succes met je PTSS’ landelijk verkrijgbaar en momenteel wordt het boek gratis verzonden via de site van LIBRIS!

https://www.libris.nl/zoek/?q=veel+succes&b=

zaterdag 9 november 2019

twee brieven aan mijn oud-hulpverleners

Beste oud-hulpverleners van mij in de ggz,

Wat was ik stom hè? En naar. En onaardig. En geïrriteerd. En sarcastisch. En cynisch. En onbeschoft.

Tenminste, dat lees ik terug in mijn dossier. En hebben jullie gelijk? Ja. Ik wás naar en onaardig en geïrriteerd en sarcastisch en cynisch en soms dus zelfs onbeschoft. Zoals die keer dat ik wegliep van de afdeling en toen ik uren later terugkwam, nadat ik op de telex had gestaan, nadat er treinen stapvoets hadden gereden en ik vervolgens deed alsof jullie lucht waren en gewoon op mijn mobiel bleef kijken.

Ik wás cynisch toen ik wéér mijn juiste medicatie niet kreeg, omdat iemand wéér iets verkeerd afgetekend had. (Ze heeft narcistische trekken, las ik in het dossier, want ‘het’ lag niet aan haar, maar aan een ander). En dat was ook zo: ik had niks afgetekend van die lijst. Maar ík was het vervolgens wél die de ‘narcistische trekken’ vertoonde.

Ik wás boos omdat ik moest zitten kleuren op een gesloten afdeling en er niet af mocht. Oké, ik mocht ook koffiefilters beschilderen, maar dat vond ik nóg idioter. En oké, ik hoefde niet te kleuren, maar wat moet je dan? 24 uur op een afdeling?

Ik wás naar toen ik met mijn deur smeet, omdat ik hoorde dat mijn rustgevende medicatie per direct gestopt werd.

Ik wás sarcastisch met mijn opmerkingen toen bleek dat psychotische mensen wél vrijheden hadden en ik niet.

Ik wás stom, omdat ik soms negatief aanwezig was aan de knutseltafel.

Ik mailde je boos dat je me niet wilde helpen. Ik zag namelijk niet dat je me best wilde helpen. Ik zag alleen maar ellende, alles was zwart en hopeloos, ik zag tegenwerking. En die beantwoordde ik met tegengas geven, arrogantie, boosheid. Ik verweet je van alles.
Ik las het in mijn dossier.

En weten jullie? Ik schaam me kapot. Ik wil het goedpraten, ik wil zeggen dat ik mezelf niet was, dat ik verward was, dat ik een geagiteerde depressie had, dat ik mijn gezin miste, dat ik tegen muren opliep, letterlijk. De staat waarin ik was, zorgde in mijn geval voor onhebbelijk gedrag. Ben ik verantwoordelijk voor mijn gedrag? Ja. Maar als ik dit lees: dit was ík toch niet? Had een ziekte mij overgenomen? Een staat van verwarring? Was ik toerekeningsvatbaar? Ik ben van nature aardig, zorgzaam en lief. Maar dat zagen jullie niet. Of jullie wilden het niet zien. 

Groet!


Beste oud-hulpverleners in de ggz,

Wat was ik leuk hè? En grappig, humoristisch wellicht. En lief. En zorgzaam voor anderen toen ik kleding gaf aan de persoon zonder kleding. Dat ik mensen betrok bij activiteiten. Dat ik sigaretten kocht voor de mensen zonder geld. 

Wat luisterde ik ook naar júllie levensverhalen, hè? Wat vond je het fijn om contact met me te hebben, hè? En als het even te druk was, dan doken we gewoon even het personeelstoilet in om even te lachen, weet je nog? Je vertelde me over patiënt A, dat die inderdaad wel erg de grenzen opzocht. Je vond mijn behandelaar een ‘idiote eikel’. En ondanks dat ik geen vrijheden had, liet je me een wijntje drinken in de stad tijdens je dienst, als ik diezelfde dienst maar terugkwam. 

Wat vond je het erg dat ik gegijzeld en bedreigd werd door mijn behandelaar, hè? Wat leefde je intens met me mee. Wat vond je het fijn dat jij na 8 uur naar huis mocht maar je vond het ook zó erg dat ik dan nog wél tussen bepaalde personen zou zitten.

Ik las het alleen niet terug in mijn dossier. Nergens. Ja. Ik las dat ik een cliënt betrok bij een activiteit. Maar dat was het. Voor de rest was het vaak negatief. Werden mijn nare kanten belicht. Dat ik aan tafel had gezegd dat kleuren kut was. Dat dat niet leuk voor de andere patiënten was. Klopt. Dat was niet leuk van mij. Maar hé. Ik zat daar tegen mijn zin. Ik wilde daar niet zijn. En tussen alle leuke en fijne momenten met jullie door, deed ik dat ook, dat soort uitspraken.

Ik haalde koffie voor jullie. Ik meldde het als een medepatiënt zichzelf in gevaar bracht. Ik hield een keer een oogje in het zeil op de HIC omdat er drie patiënten buitensporig gedrag vertoonden. Ik probeerde je moed in te praten toen je het even niet meer zag zitten. Ik vertelde keurig waarom iemand de tv kapot trapte toen er even niemand van het personeel op de gesloten afdeling was.

Ik las het niet terug.

Terwijl ik met jou de grootste lol had, we alle grenzen overgingen van het toelaatbare, je mij als ‘een collega’ zag, zie ik daar niks van terug in mijn dossier. Toch durf je op die paar momenten dat je over mij rapporteerde negatief over me te zijn. Waarom? Je baan zou niet eens meer bestaan als ik vertel wat jij me vertelde.

Met jou deelde ik alles. Van onze relaties met onze partners tot en met die van onze schoonouders. Ik lees het nergens terug. Je schrijft dat ik een avond geïrriteerd was. Of te aanwezig in de groep. Of je hulp ontweek. Dat las ik wel terug.

Met jou praatte ik over leuke zaken, over wielrennen, over onze afstanden en tijden. Je mailde me ’s avonds laat om je tijd en kilometers door te geven, want dat was je vergeten te doen. 

Met jou deelde ik informatie over gemeenschappelijke kennissen. Over onze (zieke) obsessie voor bepaalde zaken. ‘We bespraken een gemeenschappelijke hobby’, dat las ik. En dan soms toch weer een negatieve noot. 

Je zei dat je met me te doen had. Dat je mijn pijn zag en voelde. Je werkte over om mijn verhaal af te luisteren. Ik zag dat je het moeilijk had. Je meende het ook echt. Je noteerde kort dat je even hebt nagepraat, maar jouw opmerkingen dat je het óók niet begreep wat er gebeurde: ik lees ze niet.

Jij vertelde me dat mijn behandelaren belachelijk bezig waren. Dat je ze gebeld had om uitleg te vragen. Het was bespottelijk en idioot wat ze met mij deden! Ik lees in het dossier: ‘contact gehad met X’. En ‘patiënt ziet eigen aandeel niet in het geheel’. Terwijl je me zei dat ik me in de meest rottige situatie ooit bevond en dat je mijn wanhoop zo goed begreep!

Ik wil hierbij sorry zeggen voor mijn gedrag. Voor mijn gedrag dat naar voren kwam in situaties waarin in klem zat. In periodes dat ik zwaar depressief en suicidaal was. Rechtvaardigt dit mijn gedrag? Nee. Mijn excuses zijn gemeend.

Ik zou het best fijn vinden als jij hetzelfde doet, voor jouw rapportages. En dan vooral: voor het ontbreken van de stukjes waarin je mij tot steun had kunnen zijn. Waar je het voor me op zou nemen zoals je dat deed in onze één-op-één-gesprekken. 

Als het ooit nog eens zover komt dat ik weer bij je kom, wil je dan ook rapporteren wat je mij vertelde en wat voor goede dingen ik deed? Zonder dat je er rekening mee houdt dat anderen het lezen? Dat zou ik waarderen. Want door jullie rapportages kan ik sommige zaken nu niet bewijzen. Dingen die ik dacht te kunnen bewijzen met jouw begrip en door jouw rapportages. Hoe naief kon ik zijn... Mijn dossier hangt aan elkaar van negatieve uitlatingen van mijn kant, van kwade mails, van moeilijk gedrag. Maar waar dat gedrag vandaan zou kunnen komen, waar mijn leuke gedrag was… ik kan het maar héél soms vinden.

En aan de mensen die wél mijn positieve zaken op papier zetten: dank jullie wel. Ik heb het gelezen. En mensen die ergens wel wat kritisch zijn op andere hulpverleners: dank jullie wel. Ook dat heb ik gezien. Maar jullie waren in de minderheid. 

Maar ik wil wel afsluiten met nogmaals excuses van mijn kant: De situatie bracht in mij het slechtste naar boven blijkbaar, denk ik, vermoed ik. En als een kat in het nauw botvierde ik dat ook soms op jullie. Terwijl ik weet wat voor geweldig beroep jullie toch uitoefenen. 

Ik vind het alleen jammer dat mijn andere kant zo onderbelicht is gebleven. Want die was er ook.

En komt gelukkig ook weer steeds meer naar voren. 

Groet!

dinsdag 5 november 2019

Waarom een bundel (deel 3)

Ik besloot dus tot een tweede bundel. Ergens uit frustratie (nog niet toe aan vast werk, geen hulp, ik moet toch íets?!), maar natuurlijk zat er ook een positieve kant aan, want anders was ik er helemaal niet aan begonnen

Ik heb best wat (veel eigenlijk wel, maar ik merk dat ik bij elke positieve noot wel ergens als arrogant bestempeld word) reacties gehad op mijn vorige bundel. Een bundel waarop ik niet trots ben. Rijmelarij, te cynisch soms, te sarcastisch ook. En toch ben ik wel een beetje trots. Door de reacties. Niet omdat het ‘zo goed geschreven is’, maar omdat het mensen heeft geholpen psychische problematiek bespreekbaar te maken. Mensen namen gedichten mee naar behandelaren, naar familie. Mensen herkenden zichzelf. Mensen lachten. Mensen huilden. En ik kreeg wel eens de vraag (vaak, maar vast óók weer ‘not done’ te zeggen…) of er een tweede bundel kwam. 

En die tweede en laatste bundel (in deze lijn) komt er dus. Dat wat ik bereikte met de eerste (Het was niet alleen maar leuk tijdens mijn depressie), was best veel. Ik had mensen geholpen met het geschreven werk. Ik had mensen laten lachen. Doe ik tóch nog iets voor de maatschappij. Zou ik dat nog eens kunnen doen? Zou ik psychische problematiek nog meer bespreekbaar kunnen maken? Nou, eigenlijk wel meer: seksueel trauma, ouderverstoting, uit je huis gehaald worden door politie en afgevoerd worden door een ambulance, vermist zijn met burgernetmeldingen... Het zijn geen alledaagse onderwerpen en het zijn geen onderwerpen om mee te koop te lopen. Maar ik bespreek ze wel. 

Onderwerpen die je eigenlijk voor jezelf houdt. Maar aangezien mijn hele buurt de politie toen wel heeft gezien en het óók de wereld in zou kunnen smijten, doe ik het maar, veilig in een eigen bundel. En misschien durft iemand anders ook wel te spreken over een (seksueel) trauma n.a.v. het gedicht. Het is overigens niet de bedoeling dat mensen nu mij na gaan doen met vermist raken (geen aanrader). 

Het woord ‘taboe’ wil ik eigenlijk niet gebruiken, want: iedereen gebruikt het al. Voor wélk mogelijk onderwerp dan ook. Want dat genereert aandacht. Toch, noem ik het wél. Er rust een taboe op het bij de ggz in behandeling te zijn. Heel vaak is dat taboe er ook niet trouwens. Ik vraag me soms af of er op Twitter geen taboe ligt op het feit dat je ‘gewoon gelukkig’ bent. De zin: ‘Op Instagram en Facebook lijkt alles mooi, maar dat is het niet hoor!’ wordt vaker gebruikt dan welke zin dan ook. Ik maak me er zelf ook schuldig aan… Natuurlijk moet er aandacht zijn voor die kant en dat doe ik dan ook wel. Maar vooral voor díe mensen die ermee te maken hebben in hun echte leven. De vrienden die niet meer langs komen i.v.m. je depressie. Het begrip dat er online lijkt, mis ik zelf nog wel eens in mijn ‘echte leven’. 

En daarom schreef en bundelde ik maar weer. Een inkijkje in de ggz. Ook 38-jarige moeders komen op zwaarbewaakte afdelingen terecht. Het kan jóu óók overkomen…
Je bent niet de enige die dood wilde. Je bent niet de enige die Veilig Thuis op de stoep had staan (of gebeurde dit alleen bij mij? Nee toch?). Ik bespreek het. Op mijn eigen wijze wederom.

Vrees niet dat deze bundel ineens enkel loodzwaar is. Ik laat jullie ook weer gewoon lachen hoor, tenminste, dat is de bedoeling, want het leven is een feestje, maar je moet… (jullie weten waar ik naar verwijs, hè?) Daarnaast schrijf ik ook over goede zorg, over naasten, over yoga. Over de bizarre gesprekken die ik voerde met mensen. 

Ach. Ik schreef een tweede bundel en ik heb voor mezelf weer enigszins helder waarom. 

Rest mij niks anders te zeggen: Koop dat ding gewoon. Goed voor mijn eigenwaarde, goed om moeilijke zaken bespreekbaar te maken. Om de woorden te vinden die jezelf niet vond. Om te lachen om mijn net iets te grove, zieke gedachtes over bijvoorbeeld de lief-en-leedpot van de basisschool. 

En voor als je op een wachtlijst staat, voor in de tussentijd: Veel succes met je PTSS! (of met welke andere psychische aandoening dan ook!)

Waarom een bundel (deel 2)

Om te ontspannen sloeg ik niet aan het bundelen of schrijven. Wel als overleving dus. ‘Iets te doen te hebben in een eigen tempo’ (dat ik dus zo extreem opvoerde dat er niks eigen-tempo-achtig-iets meer aan zat). Zo verkocht ik het naar mezelf en naar de mensen om me heen.

Maar de werkelijkheid was een stuk onaangenamer. Ik overleefde de tijd inderdaad (ik zit dit nu namelijk te typen), maar niet op de manier die ik van tevoren had gehoopt. ‘Het boek’ werd al snel omgedoopt tot ‘dat kutboek’. Ik was boos op alles en iedereen. Op mezelf, op ‘de ggz’, op behandelaren. Als ik dan te slecht zou zijn voor behandeling, wat deed ik dan nog op straat zonder hulp? Gezien de inhoud van de afwijzingen, zou je me minstens met een jarenlange RM moeten opnemen. Maar ik zat weer thuis. Zonder hulp. En verdrietig. Dat was ik ook. Nare herinneringen namen me over. Die nare herinneringen werden natuurlijk ook gevoed door de vulling van de bundel: gesloten opnames, vermist geweest zijn, mijn jeugd (die niet altijd alleen maar leuk was), onderzoeken die we als gezin moesten doorstaan. Ik verloor, hoewel op eigen initiatief, mijn baan. 

Ik voelde me te slecht om een andere baan aan te gaan. Ik ben niet echt lekker stabiel. Ik lig, zoals gezegd, meer in bed dan dat ik eruit ben. En ik weet dat juist ritme, beweging, ‘zelfzorg’ enz. enorm goed zouden zijn voor mezelf. Maar liggend in bed met een laptopje, een glas wijn en wat benzodiazepinen beviel ook wel weer. Op de momenten dat het kon, was (en ben) ik wel beneden hoor, ik probeer het leven dat ik vijf jaar niet heb kunnen leiden, weer op te pakken (hoewel dat niet zo klinkt, maar ik kook soms weer, ben soms weer op school te zien, ga mee naar zwemles, doe soms boodschappen en doe soms ook weer leuke dingen met vrienden). 

Gaat het me om het geld? Nee. Door het debacle van mijn vorige boek (meer terugbetalen dan dat ik winst had), wist ik dat ik het daarvoor niet hoef te doen. Quitte spelen, een etentje en een leuke jurk en ik ben zeer tevreden)

Gaat het me om ‘Zie mij! Ik heb gewoon weer een boek geschreven!’. Misschien wel een beetje. Als je dan niet meer werkt, je zelfs niet voor hulpverlening in aanmerking komt en iedereen om je heen wél werkt en ook nog eens een huishouden draaiende houdt (zoals ik ook altijd heb gekund, maar soit), dan is het fijn ‘iets’ neer te kunnen zetten. En blijkbaar is ‘een boek’ voor mensen best een groot ding. (En… ik doe het in eigen beheer, dan is het écht best een ding… er komt toch best veel bij kijken, dus ergens heeft ‘men’ dan een punt.)

Gaat het daarom ook om de complimenten die misschien zullen volgen? Misschien wel. Complimenten zijn, indien gemeend, best fijn. Ik weet ook dat er weer gezeur komt: ALS JE DEPRESSIEF BENT KAN JE NIET SCHRIJVEN!!! Dit laatste klopt best redelijk trouwens. Ik blik vooral terug. Ik schrijf als het wat beter met me gaat en ik zit helemaal niet in een ernstige depressie. Maar die discussie móet ik niet eens meer willen voeren. Soms de neiging terug te schrijven: en jij dan? Je roept alleen maar dat je depressief bent, maar je kan wel tweeten??!! Ik wil er geen wedstrijd van maken, zoals sommigen lijken te willen doen. 

Een dikke huid heb je wel nodig als je dit doet. En eigenlijk wel goede redenen. En die goede redenen zijn er vast ook wel. Tenminste. Daar hoop ik nu, na dit geplaatst te hebben, op te gaan komen.

Zie deel 3.

(ik ben echt goed in cliffhangers! Moet ik wat mee gaan doen, een boek schrijven of zoiets dergelijks)

Waarom een bundel? (deel 1)

Ik heb het idee dat ik van alles de wereld in wil smijten. Maar ik kies er vaak voor dat niet te doen. Welk doel dient het? Schaadt het mij of een ander? Maar de volgende vraag houdt me momenteel erg bezig: waarom bundelde ik ook alweer een boek?

Gewoon, hardop nadenkend, in de vorm van een blog: waarom besloot ik om weer over te gaan tot het bundelen van geschreven materiaal, terwijl het me de vorige keer zo veel stress kostte en ik zelfs niet rustte voordat het boek uitverkocht was? Wat doe ik mezelf aan? Een presentatie, interviews, het versturen van exemplaren naar mensen die er één krijgen, berekeningen maken. Kosten, opbrengsten, wat als er net als vorige keer een tweede druk ‘nodig is’. Ga ik dat weer doen, of laat ik het er gewoon bij, is wel zo rustig. Waarom?

Was het proces ernaartoe leuk? Nee. Iemand merkte op dat het zó knap was dat ik wéér met een boek kwam. ‘Knap?’ Zei mijn man. ‘Dit doet ze alleen maar om te overleven. Het is een vlucht.’ Ik kon niks anders dan het beamen. Ik zat niet romantisch aan een tafeltje met een kaarsje ‘lekker te verzamelen en te schrijven’. Mijn bundel is compleet tot stand gekomen in bed. Of ik echt bijna alleen maar in bed doorbracht de afgelopen tijd? Ja. Sinds ik hoorde dat ik bij twee ggz-aanbieders niet terecht kon, terwijl ik daar zo naartoe had geleefd, werd ik weer terug op mezelf geworpen. Ik keek al een half jaar reikhalzend uit naar die hulp. Omdat ik wist dat die eraan kwam, hield ik het vol. De hoop vervloog en daarmee ook direct mijn levenslust. Omdat er toch wel aandacht leek voor een tweede bundel, hakte ik de knoop door en ik stelde mezelf een keiharde deadline: hoe leuk zou het wel niet zijn als het precies een jaar later gepresenteerd zou worden? Leuk toch? Ja. Echt heel erg leuk. Superleuk. Zo leuk dat het me verlamde. Wat doe ik erin? Wat niet? Welke volgorde? Kwets ik met dit stukje iemand? Kan ik dat zware onderwerp echt wel opnemen in mijn boek? 

Het werd weer last-minute-werk. De bundel ligt bij de drukker en ik heb weer nadenk-tijd. Heb ik nog wel hulp nodig? Waarom ben ik niet blij nu ik ‘klaar’ ben? Maar vooral dus: waarom heb ik dit gedaan?

Daar ga ik nu naar kijken. Maar ik plaats deze blog alvast. Toch wel een ontzettend gave cliffhanger dit. (ik plaats straks deel twee/ drie/ vier denk ik)

zondag 22 september 2019

Ik trek het me niet aan hoor! (Wel!)


Natuurlijk moet ik het me niet aantrekken.
Natuurlijk moet ik 'het buiten mezelf leggen'

En waarschijnlijk zeggen sommigen: 'het zegt meer over die anderen dan over jou'.
En misschien denken of zeggen mensen, jullie, dat niet en ligt er ook een stuk bij mij. 

HET KAN ALLEMAAL.

Maar het raakt me dan tóch weer. 
Terwijl mijn verstand zegt: 'boeien!' 
Terwijl mijn verstand zegt: 'moet jezelf weten!' Terwijl mijn verstand zegt: 'je hebt je best gedaan'.

Raakt het me.

Ik las de wanhopige berichten. Ik beantwoordde de talloze vragen over opnames, medicatie, hoe het dan met een gezin gaat als jij er even niet bent, hoe je uit een depressie komt. En dan antwoordde ik dus vaak. Dit niet gevolgd door een 'dank je wel' (wat ik dan weer plaatste in de positie van de zieke medemens), maar wel na weken weer werd beantwoord met wéér een spervuur aan vragen die ik dan weer keurig beantwoordde (met iets meer tegenzin).

Ik probeerde waar nodig te helpen en te antwoorden. Ik doe dat vaak. Te vaak misschien en waarschijnlijk. Ook wanneer ik er heel slecht bij zit. En soms antwoord ik niet, omdat er te veel DM's zijn. Omdat ik zelf in de goot lig. En het dan vergeet (excuus dan!)

Dan zie je ineens, als je de profielen eens bekijkt hoe het met ze gaat, dat ze je ontvolgd hebben. Terwijl jij tijd in ze stak. Dan kunnen mensen zeggen: maar misschien 'worden ze getriggerd door jouw verhalen'.
Neuh, lijkt me niet, als ik zie wie ze wél volgen: mensen die hele dagen over hun psychische staat tweeten.

Ja. Ik weet het. Dit zegt meer over mij dan over hen. Ik weet het. Ik trek me dit soort dingen aan. Te erg. Zal een achtergrond hebben die ik nog niet helder heb.

Maar die tijd die ik investeerde in al die vragen. Om ze serieus, zorgvuldig, in vertrouwen te behandelen. En dan na het beantwoorden zien dat ze je niet meer volgen... Het raakt me.

En gaat het me om de hoeveelheid volgers?
Nee. Elke dag gooi ik er knappe Amerikaanse artsen uit het leger uit die me ineens volgen. Of Franssprekende mannen die enkel selfies plaatsen. Ik verlaag mijn eigen volgersaantal dagelijks.

Ik heb duizenden vragen momenteel. Mijn hoofd draait overuren. Dit zou écht geen vraag moeten zijn momenteel.

Maar is het dus wel.

Maar nu ga ik me bezighouden met waar het echt om draait: avondeten voor vanavond bedenken!

zaterdag 21 september 2019

Verward


Een psychische ziekte. Of noem je het nu psychiatrisch? Je moet een stoornis hebben voor de verzekering. 'Maar', zegt de therapeut er redelijk standaard bij, dat is alleen maar voor de verzekering, 'niemand past op zo'n papiertje, haha', al wijzende naar de dikke DSM-bijbel.
Heb ik een psychiatrische ziekte: Zo ja: dan wil ik graag hulp. Zo niet: fijn! Niks aan de hand. En door! Dat is een beetje hoe de situatie nu is.

En toen kwam het weer voorbij. Als een mokerslag. Ik werd door iemand verward genoemd. Niet door de eerste de beste trouwens. Verward is volgens mij geen diagnose. Verwardheid hoogstens een symptoom of bijwerking. Maar geen diagnose, toch?

En het deed wat met me. Namelijk: de zoveelste zei me dat ik in een bepaalde periode, niet nu dus, zó verward was. Ik was mezelf niet. Ik kon geen normaal gesprek voeren. Ik kon geen pen vasthouden. Ik kon wel weer andere dingen. Ik kón wel praten,  maar mét grammaticale fouten. Mét ander gedrag. Ik was 'ziek' en ab-so-luut niet mezelf. Hun woorden.

Verwarde mensen zijn mensen die wat hulpeloos vragen of je een euro kan missen. Die schreeuwend en halfbloot door de stad lopen. Die mensen aanklampen en vragen waar ze zijn. De mensen die starend op een bankje zitten in kleding waarvan je niet wist dat het nog bestond.

Verwarde mensen hebben drugs gebruikt. Verwarde mensen zijn gek. Verwarde mensen horen stemmen. Verwarde mensen zijn manisch. Verwarde mensen zijn dement. Psychisch ziek. Van het padje. De weg kwijt. Ze hebben geen gezin meer. Of geen huis. Of geen werk. Of allemaal niet meer. Ze zitten bij het Leger des Heils. Of in een inrichting.

Verwarde mensen zijn vrouwen van 38 met een gezin en een groot jaren '30 huis met glas in lood en andere 'authentieke elementen'. Misschien zijn ze ziek, misschien overbelast, misschien allebei. Misschien zijn ze best grappig. Hebben ze zelfspot. En ogen ze redelijk normaal en denken ze ook heel normaal over te komen. Want: waarom zegt vriendin A bij het weggaan tegen vriendin B: let jij nu op haar? Ach, vast een grapje. Zo dacht ze toen.

In deze periode heb ik dingen gedaan die mij zijn aangerekend door mensen. Terecht. Want ik liet me nu niet écht van mijn leukste kant zien. Verward gedrag uitte zich in mijn geval niet in: bloemen sturen, mensen mee uit eten nemen, bordspelletjes spelen of avonden voorlezend en muziek luisterend doorbrengend.

Nee. Panikerend. Verwijtend. Beschuldigend. Wantrouwend. Angstig. Bozig. Zelfdestructief. Deze woorden pasten meer bij mijn verwarde staat (rustig! Allang onderzocht door Veilig Thuis hiervoor! Hoeft geen melding meer van gemaakt te worden. Verward gedrag hoeft maar door één buitenstaander gemeld en het is geregeld!)

Ik ben uit deze staat gekomen door medicatie (rustgevende middelen, antidepressivum), EMDR en het terugpakken van 'de eigen regie' (jeukwoord, sorry).

Maar wat me blijft bezigen: waarom stopten hulpverleners de hulp omdat ik zo boos was? Achteraf door vele omstanders dus benoemd als 'verward'. Ik was blijkbaar to-taal niet mezelf en dan de vraag: was ik ziek? Of niet?  En welke ziekte had ik dan?
Ik ga er eens over nadenken.

Maar nu een my little pony kopen van het zakgeld van de kleuter. Ook wat verward wel. Zoveel geld neertellen voor plastic troep, maar ik zal het haar niet zeggen.

(Oja. Overal waar ik verwarde mensen zei, bedoel ik natuurlijk mensen met verward gedrag. Maar dit bekte lekkerder.)